Paul de Wispelaere


Eind jaren negentig bestudeerde ik het werk van Paul de Wispelaere vrij intensief. Onderstaande fragmenten uit mijn onderzoek hebben nooit een plaats gekregen in mijn uitvoerige essay over Louis Paul Boon en het modernisme in Vlaanderen, noch in mijn dissertatie. Nu ik vandaag hoor dat Paul is overleden, zet ik dit onvoltooide werk maar op deze pagina. 

 

[…]

Na de oorlog blijft de moderne literatuur nog lang een gesloten boek voor Paul de Wispelaere. In 1947 slaat de romantisch-expressieve schrijver De Wispelaere zijn cahiers met persoonlijke ontboezemingen voorlopig zelfs helemaal dicht. Hij zal lange tijd nauwelijks nog aan schrijven toekomen, want datzelfde jaar begint hij in Gent aan zijn studie Germaanse Filologie. In de jaren die hem wachten is het niet de moderne literatuur die onderwerp vormt van zijn studie maar (zoals toen overigens gebruikelijk aan de universiteit) de historische letterkunde. Enige uitzondering op deze regel vormden allicht de bijzonder inspirerende colleges van Herman Uyttersprot over Kafka en Rilke.[i] Toch bleef de directe impact van die colleges voorlopig nog verborgen en De Wispelaere, desondanks nog altijd schrijver in het diepst van zijn gedachten, studeerde in 1951 zelfs af op een taalkundig onderwerp. Hij las wel veel natuurlijk, W. Somerset Maugham bij voorbeeld en ook de (al weer romantische) vertegenwoordigers van de Ierse (nationalistische) beweging, de zogenaamde ‘Irish Revival’ met onder meer Yeats, G.B. Shaw en natuurlijk J.M. Synge. Diens laatste toneelstuk Deirdre of the sorrow (1910) wordt zelfs expliciet vermeld in De Wispelaere’s verhaaldebuut ‘Fantasia’ (maart 1954) in het katholieke tijdschrift Dietsche Warande & Belfort van Albert Westerlinck.[ii] Dergelijke lectuur verraadt natuurlijk niet een al te grote belezenheid in de contemporaine literatuur en verder dan de katholieke romancier Graham Greene reikte zijn kennis van de moderne literatuur eigenlijk ook niet. De Wispelaere heeft in dit verband vele jaren later in interviews dan ook wel eens over zichzelf beweerd als een soort literaire analfabeet te zijn afgestudeerd.[iii]

De grote inhaalrace die nadien volgde (vanaf 1953, hij moest eerst ook nog in legerdienst), stond in het teken van het enthousiasme dat Herman Uyttersprot en meer nog een aantal inspirerende colleges van Garmt Stuiveling over Hendrik Marsman bij hem had doen ontwaken.[iv] Het vlammetje werd vervolgens nog eens extra aangewakkerd door Frank Baur, de toenmalige hoogleraar Nederlandse letterkunde die hem in 1952 een prachtig onderwerp voor een proefschrift aanreikte: Dirk Coster en het tijdschrift De Stem (1921-1942). Daar, in de jaargangen van De Stem die hij vanaf toen is gaan bestuderen, trof De Wispelaere de boeiende strijd aan tussen het vooroorlogse modernisme en een meer ethisch gefundeerd humanisme.[v] Vanuit deze positie als pas afgestudeerde Germanist met een boeiend onderwerp voor een dissertatie, kwam hij steeds nadrukkelijker in contact met de literatuur van zijn eigen tijd. Het feit dat zijn belangstelling voor de discussie over het modernisme niet kan verhinderen dat hij nog dat zelfde jaar – het is 1952 en in Antwerpen worden de laatste voorbereidingen getroffen voor het verschijnen van De Tafelronde -, het bekende standaardwerk van Westerlinck over de romantische Van de Woestijne van kaft tot kaft verslindt, onderstreept eens te meer dat ‘ambivalentie’ van meet af aan het watermerk van al zijn geschriften is.[vi] Jarenlang had De Wispelaere immers de belijdenisliteratuur van de atmosferisch-sensualistische dichter Van de Woestijne bewonderd. Juist in deze periode, begin jaren vijftig, pakt hij zelf de draad van zijn eigen schrijverschap weer op en de antwoorden die de jonge romanticus uiteindelijk in verband daarmee zoekt, moeten de voor hem ultieme vraag kunnen beantwoorden in welke mate en met welke middelen een schrijver zijn autobiografie tot verbeelding kan brengen.

 

Tijd en Mens

In 1953, een belangrijk literair jaar waarin ook de voor De Wispelaere zo belangrijke dichter Martinus Nijhoff overleed, begint de ambivalente romanticus opnieuw te publiceren. Meteen wordt duidelijk dat de verzuiling en de ideologische achtergronden van de literaire tijdschriften hem nog steeds niet bijster interesseert. De romantische, ‘apolitieke’ jongeling wil gewoon publiceren! Zo kon het gebeuren dat De Wispelaere in juni 1953 een essay over Engelse literatuur door Albert Westerlinck in het katholieke Dietsche Warande & Belfort laat plaatsen en dat nog diezelfde maand, via Raymond Brulez een essay over D.H. Lawrence in het liberale maandblad De Vlaamse Gids verschijnt. In dit overzichtsartikel wordt Lawrence verbonden met talloze stromingen zoals het humanitair-expressionisme, het existentialisme, de romantiek, met symbolistisch impressionisme, vitalisme en met figuren als Hemingway, Montherlant, Stefan George, Rousseau, Nietzsche en Whitman.[vii] De Wispelaere afficheert zichzelf, bewust of onbewust, op deze wijze enigszins als een talentvolle jonge intellectueel met een brede belezenheid. Zijn belangstelling voor het humanitair-expressionisme komt in de jaren daarna tot uitdrukking in een reeks artikelen over Dirk Coster en de romantiek zal hem eigenlijk ook nooit meer verlaten.

In maart 1954, De Wispelaere is inmiddels aan zijn proefschrift over Dirk Coster beginnen werken, waagt hij zich in Dietsche Warande & Belfort aan zijn allereerste bespreking van een contemporain literair onderwerp: de zeventiende aflevering van Tijd en Mens, beter bekend als het Van Ostaijen-nummer. Wat meteen opvalt aan deze eerste kritische bijdrage is dat De Wispelaere het tijdschrift voor de jongeren voornamelijk als historicus (jonge intellectueel) bespreekt. Tijdens zijn lectuur van De Stem werd De Wispelaere geconfronteerd met een groot deel van de geschiedenis van het Vlaamse modernisme, en hij werd in het bijzonder getroffen door de strijd van het humanitair-expressionisme van Moens, Brunclair en Van Ostaijen.[viii] Als (creatief) schrijver heeft hij voor zover bekend geen enkele poging gedaan om in dit belangrijkste tijdschrift van de jongeren te kunnen publiceren.

Opvallend aan deze bespreking is voorts dat De Wispelaere sedert 1945 nu voor de tweede keer (de eerste maal in Het Westen) de ideeën van de later nochtans door hem zo bewonderde Jan Walravens afwijst. De hele discussie over de autonomie van het gedicht, over de vraag in hoeverre een gedicht los van zijn maker bestaansrecht heeft, werd in zijn visie na de Tweede Wereldoorlog in de persoon van Walravens nog eens dunnetjes over gedaan, maar wat De Wispelaere betreft tevens volkomen nutteloos. Want Walravens had wat hem betreft niets toe te voegen aan de oude discussie. Sterker nog, Walravens biedt alles behalve duidelijkheid, want hij voert immers een heuse ‘paradox’ als nieuw paradigma op en daarmee heeft hij de helderheid in de discussie, voorzover die dus al geen geschiedenis is geworden, bepaald geen goed gedaan:

 

Uit naam van zijn Tijd en Mens-ers stelt hij de diagnose van zijn en onze tijd: een zware kankerbuil met als bacteriën de levensangst en het nihil. Meer dan een halve eeuw geleden reeds werden deze ziektesymptomen van de Westerse cultuur in de grote literaturen vastgesteld en tot hun betrekkelijk eenvoudige oorzaak teruggebracht: de stuurloosheid van de volstrekt autonoom geworden mens. De brandende vraag naar de zin van het aardse leven ging steeds dringender de literatuur beheersen. De literator nam de plaats in van de theoloog en hulde zich ten behoeve van duizenden in de priestertoga en de profetenmantel.[ix]

 

Het humanitair-expressionisme van Dirk Coster en Justus Havelaar of van Wies Moens heeft volgens De Wispelaere al vijftig jaar voor Walravens het juiste antwoord geformuleerd: ‘wat de humanitaire expressionisten wilden, was misschien dwaas en zekerlijk utopistisch, maar het was tenminste duidelijk. Wie een gedicht leest als “Laat mij mijn ziel…” van Moens, beseft tenminste klaar hoe de jonge dichter de verhouding van zijn kunst tot het leven opvatte’. De romantische schrijver De Wispelaere, op zoek naar ‘zichzelf’, is juist door die verhouding leven/kunst geboeid en hij, die de (historische) realiteit vooralsnog geen grote plaats toekent in zijn geschrevenheden en in zijn latere lectuur van Boon juist het thema van de gefnuikte utopische verlangens zal beklemtonen, prefereert de ethische verantwoordelijkheid van de idealistische schrijver in toga blijkbaar nog boven de pragmatische Walravens die niet wil kiezen tussen esthetiek of dogmatiek. Walravens is niet geïnteresseerd in universele waarden en normen. Hij is juist telkens opnieuw weer gefascineerd door de concrete situatie waarin de mens, de schrijver of de kunstenaar leeft en dat maakt van hem wellicht wel een pragmaticus pur sang. Walravens kiest voor een eigen cultuurkritisch commitment, dat niet in het verlengde ligt van welke voorgekookte (politieke) ideologie dan ook en dat hij telkens opnieuw kan afstemmen op de (veranderende) omstandigheden. Walravens is geschokt door de gang van de wereld, maar hij wendt zich er niet van af door een eigen (overzichtelijk) universum te creëren. De koele, nuchtere historische analyse van het probleem door de historicus De Wispelaere, met welhaast stuitend weinig oog voor de concrete naoorlogse (literaire) realiteit zal Walravens dan ook hoofdschuddend om zoveel onbegrip in zich hebben laten omgaan.

Vooral de felle bewoordingen waarin De Wispelaere zijn aanval op Walravens verpakte wekken ook in retrospectief nog steeds enige verbazing, want als iets de latere criticus De Wispelaere kenmerkt dan is het de grote welwillendheid waarmee hij schrijvers en hun boeken benadert. Eerder als aanval op de ‘kapitein’ van de jongeren, moet het stuk mijns inziens ook gelezen worden als een pertinente weigering deel te nemen aan de cultus rond Van Ostaijen. Anders dan Boon in zijn romantische jeugd kan hij Van Ostaijen en Van de Woestijne blijkbaar (nog) niet allebei aanvaarden en prefereert De Wispelaere begin jaren vijftig de romanticus Van de Woestijne nog boven de nihilist Van Ostaijen:

 

Voor het gevoel van Walravens (voor de zoveelste keer) werd door Paul van Ostayen [sic] voor het eerst in Vlaanderen over poëzie gesproken. Zijn dat zaken waar het gevoel een rol hoeft in te spelen? En wat dan gezegd van de literaire kronieken die Karel van de Woestijne (grinnikt daar iemand?) bij voorbeeld bij het begin van deze eeuw reeds in Vlaanderen verzorgde. En van de belangrijke debatten die in de eerste jaren na Wereldoorlog I gehouden werd o.m. tussen Moens, Mussche en Van de Voorde vooral in Ter Waarheid en De Stem? Ging dat misschien allemaal over aardappelen poten?[x]

 

Daarenboven had de gevoelige De Wispelaere, op zoek naar een literaire vader, nog maar pas een hele zware verantwoordelijkheid op zich genomen door het archief en de literaire nalatenschap van Dirk Coster onder zijn hoede te nemen voor verdere bestudering. Zijn aanval op Walravens zal dus ongetwijfeld ook te maken hebben met de vriendschap die hij inmiddels gesloten had met de humanistische idealist Coster.

In het vervolg van het artikel krijgt merkwaardig genoeg de alom omstreden Boon weer wel een vriendelijk schouderklopje (‘L.P. Boon schrijft over het proza van Paul van Ostayen [sic], raak en treffend zoals dikwijls en met verstand van zaken zoals steeds’.[xi] Hugo Claus dan weer, met zijn gebrek aan authenticiteit en zijn hemeltergende epigonisme, kan eveneens geen genade vinden in de ogen van deze gedreven liefhebber van ‘doorleefde’ belijdenisliteratuur en allicht is hier de invloed van Albert Westerlinck voelbaar: ‘Dan volgt een lange reeks verzen van H. Claus waar weer echte poëzie in voorkomt, en kijk eens, als we enkele van die goeie dingen aan het lezen zijn, vergeten we dat we het Tijd en Mens-fenomeen uit het uitstalraam van Jan Walravens voor hebben. We zeggen: dat is treffend, maar vooral sinds het symbolisme en het expressionisme is deze versbouw gewoon. Natuurlijk zitten de regels niet in het legendarische keurslijf geregen, zij rijmen niet of het moest per ongeluk zijn, maar Jan Walravens, wat is dat al een oude historie! En plots zien we een bladzijde verder de poëzie van Claus “zuiverder” worden, duisterder met af en toe het gemakkelijke lichtpunt van een sexuele grofheid. Neen, hier wordt de poëzie onecht, zij is niet meer doorleefd, ze is een louter automatisme geworden’.[xii]

Belangrijker dan te kunnen vaststellen of De Wispelaere hier op de valreep toch nog expliciet kleur bekent in de discussie over ‘didactiek of esthetiek’ – hij recenseert immers als historicus en zijn persoonlijke positie wordt slechts ten dele duidelijk -, is de vaststelling dat literatuur louter als spel hem vanwege het gevaar van epigonisme blijkbaar niet boeit. Maar anderzijds heeft hij wel een zekere formele belangstelling voor de moderne uitdrukkingswijzen van het symbolisme en expressionisme. Deze formele belangstelling voor moderne literaire technieken was alleen maar sterker geworden sinds hij enkele maanden voordien in contact was gekomen met de redactie van De Tafelronde.

 

De Tafelronde (1953-1957)

Of De Wispelaere’s kritiek op Walravens misschien ook een beetje werd ingefluisterd door Paul de Vree, die inmiddels de competitiestrijd met Walravens als die andere woordvoerder van Vijftig was aangegaan, is natuurlijk niet met zekerheid te zeggen. Maar zij volgt wel vrij snel nadat De Wispelaere einde 1953 in contact was gekomen met de redactie van De Tafelronde. Het voor De Wispelaere ongeëvenaard polemische artikel zal De Vree, die haast leefde voor het literaire debat, hoe dan ook op z’n minst deugd hebben gedaan.

In oktober 1953 kreeg De Wispelaere zijn eerste aanstelling als leraar aan het Athenaeum in Berchem (Antwerpen) en raakte daar goed bevriend met Michel Oukhow, leraar moraal aan dezelfde school. In tegenstelling tot Oukhow, die zelf vrij was van literaire aspiraties, liep De Wispelaere al een tijd rond met het verlangen naar wat meer literaire contacten van zijn eigen generatie. Oukhow zat weliswaar niet in de redactie van De Tafelronde, maar hij kende een aantal van de redacteuren wel goed. Er waren immers jaren daarvoor enkele gedichten van hem verschenen in Golfslag.[xiii] Het is in elk geval belangrijk nu al te constateren dat De Wispelaere, die eerder min of meer toevallig een nummer van De Tafelronde in handen had gekregen, vanuit een romantisch-expressieve achtergrond in contact kwam met de belangrijkste redacteuren van De Tafelronde. Dat waren met name Paul de Vree, Ivo Michiels en Adriaan de Roover die, na jarenlang in Golfslag de ethische tamboer te hebben geslagen, nu langzamerhand opschoven in de richting van een min of meer autonomistische literatuuropvatting.

In elk geval heeft De Wispelaere ergens in het najaar van 1953 een brief geschreven naar Ivo Michiels en meteen ook het verhaal ‘Loutering’ ingestuurd ter publicatie.[xiv] Dat verhaal had beslist weinig te maken met ‘modernisme’, maar blijkbaar verkeerde de redactie ondanks haar voorgenomen streven naar modernisering in kopijnood want De Wispelaere werd terstond met open armen ontvangen en kreeg vrijwel direct het verzoek om op meer regelmatige basis mee te werken aan De Tafelronde. Het van zinnelijkheid zinderende verhaal ‘Loutering’ verscheen al binnen enkele maanden, in januari 1954, en laat bij herlezing voornamelijk zien dat De Wispelaere nog zoekende was naar zijn eigen vorm.[xv]

Meer nog dan met De Vree is in dit verband het contact met Ivo Michiels uiteindelijk van zeer grote betekenis gebleken voor De Wispelaere. De intellectueel Stuiveling had iets wakker gemaakt (De Wispelaere’s liefde voor Marsman zou nauwelijks verflauwen) en de humanitair-expressionist Coster zette de romanticus De Wispelaere definitief in beweging. Maar het was de modernist Michiels, met zijn grote kennis van zaken op het gebied van de contemporaine beeldende kunst, literatuur en film, die uiteindelijk het bewustmakingsproces bij De Wispelaere de ultieme duw in de ‘goede’ richting heeft gegeven. Zo leerde Michiels hem bijvoorbeeld de auteurs van de ‘nouveau-roman’ kennen: Nathalie Sarraute, Alain Robbe-Grillet, Michel Butor, Claude Simon en Robert Pinget. Romanciers die – uitgekeken als ze waren op de bestaande uitdrukkingsmogelijkheden van taal, de uitgekauwde psychologische verklaringsschema’s en de traditionele verhaalintriges -, naar nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden zochten die pasten bij hun eigen tijd die ze nadrukkelijk als verscheurd ervaarden.

We zijn daarmee meteen ook op het cruciale verschil gestuit tussen enerzijds De Vree, Michiels en bijvoorbeeld ook De Roover en anderzijds De Wispelaere. Eerst genoemden hadden aanvankelijk een belangrijke rol vervult in de discussie over de zogenaamde repressie en hadden jarenlang volhard in een tamelijk onverzoenlijke houding jegens de linkse zuil. In de woorden van Hugo Brems en Dirk de Geest was hun overstap naar de autonomistische literatuur ‘een merkwaardig geval van esthetische overcompensatie of verdringing van een ethisch-politieke achtergrond’.[xvi] Bij De Wispelaere lag dat natuurlijk anders. Hij was zelfs nog steeds een groot liefhebber van belijdenisliteratuur en had een vlucht uit de werkelijkheid ook helemaal niet nodig. Maar hij zocht wel naar modernere uitdrukkingsmogelijkheden om die werkelijkheid te kunnen verbeelden. Precies die formele interesse voor nieuwe literaire middelen deelde hij met Michiels. Maar al binnen enkele jaren, in de loop van de jaren zestig, zou blijken dat daarmee hun gemeenschappelijke interesse ook op hield, hun beider literatuuropvattingen zouden na die relatief korte periode van toenadering weer steeds verder uiteenlopen hoewel de criticus De Wispelaere het experimentele werk van Michiels altijd op de voet (en met bijzonder veel sympathie) is blijven volgen.[xvii]

Ivo Michiels intussen, die veel aan De Vree had te danken, zou De Tafelronde al snel verlaten. Zijn (literaire) ambities wonnen het uiteindelijk van zijn vriendschap voor De Vree, maar zijn overstap naar de S.M. Ontwikkeling in het ‘andere kamp’ moet hij als uiterst pijnlijk voor De Vree hebben ervaren. Michiels had natuurlijk heel goed gezien dat er een onlosmakelijke band was tussen de literatuur die hij tot dan toe had gemaakt en zijn ideologische achtergrond. Maar uiteindelijk heeft hij, althans voor de buitenwereld, deze stap nagenoeg geruisloos kunnen maken.

De Wispelaere maakt die stap naar de linkse zuil uiteindelijk ook, maar minder rigoureus en hij had in tegenstelling tot Michiels nog niet eerder (politiek) kleur bekend en hij hoefde, zoals opgemerkt, ook nergens voor ‘te vluchten’. In 1957 werd De Wispelaere leraar in Brugge, kort daarna schrijft hij in september zijn eerste bespreking over een actuele roman (Het Afscheid van Michiels) en vanaf eind dat jaar begint hij op verzoek van Herman Teirlinck ook mee te werken aan Nieuw Vlaams Tijdschrift. De Wispelaere vindt na Michiels dus ook zijn eigen plaats in de literaire main stream.

 

De Tafelronde (1957-1963)

Ondertussen is het maar zeer de vraag in hoeverre De Wispelaere uiteindelijk zelf ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de nieuwe koers van De Tafelronde, het blad waar hij van meet af aan enthousiast werd binnengehaald en waar hij zich ook echt thuis voelde:

 

Ik was toen nog steeds aan een moeilijke debuuttijd aan ‘t laboreren, een produkt van West-Vlaanderen enerzijds en wereldvreemde academische studie anderzijds, een onwennige, zoekende en tastende nieuweling; in De Tafelronde waren toen de discussies en debatten over het internationale modernisme, de experimentele poëzie, het nieuwe proza, aan de gang: met een schok werd ik mij bewust van de wereld waarin ik leefde, ik leerde de artistieke tekens van die tijd zien. Samen met Ivo Michiels werd Paul de Vree mijn eerste-vriend-in-de-literatuur, hij was 20 jaar ouder dan ik maar jonger: veel bewuster, feller, vitaler, opstandiger, agressiever levend in de wereld […] hij stond mee aan de eerste groei van wat ik als mijn eigenlijke leven en werk beschouw, ik heb veel aan hem te danken.[xviii]

 

Paul de Wispelaere werkte in die jaren aan een (nooit voltooid) boek onder de veelbetekenende titel De andere roman, waarvan in 1956 slechts enkele fragmenten in De Tafelronde zijn verschenen.[xix] Dat zelfde jaar werd De Wispelaere ook officieel redacteur van De Tafelronde, maar omdat hij kort daarna Antwerpen verlaat en weer in Brugge gaat wonen heeft hij eigenlijk vooral de beraadslagingen rond de redactietafel van voor die tijd (officieus) bijgewoond. Die verhuizing heeft De Wispelaere overigens meteen aangegrepen om middels een soort natuurlijke verwijdering uit de redactie te stappen. Feit was immers dat De Tafelronde inmiddels toch een typisch poëzietijdschrift was geworden, met een uitgesproken voorkeur voor een formalistisch, autistisch soort modernistische literatuur. Hoe interessant de discussies over poëzie op zichzelf misschien ook waren, het blad had daardoor De Wispelaere als prozaïst, nog steeds op zoek naar een eigen vorm om zich te kunnen uitdrukken, vanaf toen eigenlijk niet zo veel meer te bieden.[xx] Echt werken in de traditie van het formalistisch modernisme zou De Wispelaere nooit doen, maar er is wel in toenemende mate sprake van een autonomisering van zijn werk.

 

Diagram (1963-1964)

Vanuit een zeker gevoel van trouw aan Paul de Vree is De Wispelaere officieel wel tot 1962 in de redactie van De Tafelronde blijven zitten, maar zeker na het vertrek van zijn goede vriend Michiels voelde hij zich daar eigenlijk niet meer zo thuis. De vriendschappelijke gevoelens die De Wispelaere hier laat prevaleren boven poëticale principes zijn op zich tekenend voor zijn verdere schrijverschap, maar ze zeggen ook iets significants over De Vree. Want hoewel die, op zoek naar een breder forum, tactisch gezien minder handig dan Michiels en De Wispelaere manoeuvreerde in het literaire veld, wist de niet onomstreden De Vree anderzijds met zijn charmante persoonlijkheid mensen wel aan zich te binden. Tekenend voor de ambivalente houding van De Wispelaere is misschien het feit dat het NVT al in 1959 voorpublicaties afdrukt van zijn boekdebuut Scherzando ma non troppo (ontstaan uit De andere roman). Dat boekje zal vervolgens later dat jaar door bemiddeling van zijn grote vriend Ivo Michiels bij Ontwikkeling worden uitgegeven.

Deze vrij traditioneel vertelde, psychologische novelle over het verlangen naar authenticiteit in zowel het leven als de literatuur heeft nog niet de invloed ondervonden van Louis Paul Boon, een auteur die De Wispelaere enigszins verlaat pas eind jaren vijftig ‘ontdekt’. Het volgende (autobiografische) citaat uit Scherzando ma non troppo maakt duidelijk hoe ver hij zich op dat moment nog van Boons grote cultuurkritische romanproject over de Kapellekensbaan bevindt, waarin een nieuw soort realisme wordt beproefd: ‘Aldus ontwikkelde mijn schrijverschap zich niet organisch en spontaan vanuit het daadwerkelijk leven, maar nam dit omgekeerd als een katalysator in zich op. Het leven werd voor mij iets opzettelijks, iets verkrachts. Alles speelde zich af in het vooruitzicht van op papier te worden gezet. Terwijl ik zelf eigendunkelijk buiten het dagelijkse gedoe in de marge liep, ervoer ik het bestaan nog slechts in dienst van het verhaal’.[xxi] Deze novelle en ook zijn volgende boeken thematiseren kortom de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid door het schrijven te problematiseren. Zo hoeft de auteur die, als het woord ambivalentie al niet had bestaan het ongetwijfeld uitgevonden zou hebben, niet te kiezen.

Gulzig als een spons zuigt De Wispelaere in die tijd alles wat modern is in zich op en in zijn zoektocht naar moderne middelen voor een autobiografische schriftuur raakt hij langzaam zijn gevoel voor verhoudingen een beetje kwijt. Zijn eerste roman, geschreven in deze periode en verschenen in 1963, is daar het toonbeeld van. Een eiland worden maakt meer dan wat ook de indruk van een inderhaast verwerkte lectuur van anderen. Een zoektocht naar authenticiteit, een persoonlijke afrekening met het verleden, geïnspireerd door het verlangen ‘nieuw’ of modern te zijn: ‘een boek is de rekening en de streep eronder’.[xxii] Er moet effectief gebroken worden met het verleden en het nieuwe wordt nagestreefd: ‘wij leefden met een groot verlangen om overal bommen te plaatsen en vuurpoelen te verwekken, om alles op-NIEUW te maken, ook onszelf en ook de woorden en de tekens’.[xxiii]Make it new’, zei Ezra Pound al, die niet voor niets zo vaak genoemd wordt in het boek, en met zijn oproep een breuk met het verleden betoogde.

Het nieuwe ligt ook voor De Wispelaere vooralsnog in de kunst, dat staat wel vast. De hoofdpersoon van zijn eerste roman, Filip genaamd, gebruikt daarvoor zijn geliefde Hella als katalysator: ‘(Je vraagt het onmogelijke van haar: dat zij zou begrijpen dat je haar slechts hebt gewild als een medium tot vernieuwing en zuiverheid, dat zij misschien het slachtoffer is van de wraak die je hebt moeten nemen op je verleden, maar dat zij zelf nu moet achterblijven in dit verleden waarvan jij je definitief zal kunnen losmaken in het boek dat je aan het schrijven bent’. Deze sleutelpassage verraadt de thematiek die we al uit sommige verhalen kennen en uit Scherzando ma non troppo. Alleen is Filip nu meer dan ooit echt bereid radicaal te breken met het verleden, halfwassen tussenoplossingen vormen geen optie meer. Filip leidt een totaal verliteratuurd leven en is in die zin beslist ook herkenbaar als afsplitsing van De Wispelaere. Het experimentele karakter van dit boek schuilt in zekere mate in de vervreemding die het boek kenmerkt en die onder meer wordt bereikt door het verbreken van de chronologie, koortsachtige passages, elliptische zinnen, beeldend taalgebruik en bijzondere metaforen. Voorts zijn ook de vele eclectische intertekstuele verwijzingen naar muziek (Charlie Parker, Miles Davis, Schubert, Stravinsky, Mozart), schilderkunst en literatuur (Reninca, Vasalis, De Roover, Lodeizen, Dylan Thomas, Kafka, Pound, Synge, Garcia Lorca) van invloed op het gevoel van vervreemding dat de lezer bij het lezen bekruipt.

Tegen deze experimentele achtergrond moeten we ook De Wispelaere’s enthousiasme voor de Alfa-cyclus van Michiels bezien. Met Het boek Alfa, verschenen in dat zelfde jaar 1963, introduceerde Michiels een absoluut nieuwe romanvorm in Vlaanderen: ‘De Vlaamse romanliteratuur, zoals die zich ontwikkeld heeft gedurende de eerste helft van deze eeuw, stond vooral bekend als een literatuur van goede vertellers. […] Ook nog na 1945 heeft die toestand zich voortgezet: L.P. Boon en Hugo Claus laten zich, niettegenstaande hun moderne schrijftechniek, gemakkelijk in een Vlaamse traditie inschakelen. […] In het onlangs verschenen Boek Alfa zie ik dan ook de eerste volwaardige Vlaamse roman die niet meer beantwoordt aan de methodes van een overgeleverde verhaalsfictie en die daarom met de traditie breekt’.[xxiv]

Michiels vertelt niet een verhaal maar maakt door middel van zijn spel met taal iets voelbaar: ‘[…] het Boek Alfa verschijnt niet als het produkt van een schrijver die iets vertelt, maar als een taalstructuur waarin het bewustzijn van een mens plots en hevig tot uitdrukking komt’. Dit citaat verklaart ook waarom Boon nog niet de impact heeft gehad die je zou verwachten, wat De Wispelaere later in Boon zo boeide, de aanwezigheid van een unieke verbinding tussen zelfexpressie en een modernistische vorm van schriftuur, heeft hij (nog) niet gezien.

Maar dit enthousiasme over een project dat uiteindelijk in 1979 zal worden afgesloten met de roman Dixi(t), kan niet verhelen dat De Wispelaere zelf met Een eiland worden uit 1963 meteen ook zijn meest verregaande literaire experiment heeft geschreven. Hij heeft kortom het literaire experiment nooit in zijn meest extreme vormen gerealiseerd want hij had, naar mijn smaak, inmiddels ingezien dat hij te ver van zijn eigen autobiografische inzet was afgedwaald en zich te uitbundig had overgegeven aan het spel met literaire normen. In retrospectief beschouwt de auteur dan ook liever Mijn levende schaduw als zijn eerste geslaagde literaire roman. Deze roman, geschreven onder invloed van nieuw verworven inzichten waarvan hij verslag deed in het nieuwe tijdschrift Diagram.[xxv]

Juist de problematiek van het op moderne wijze verbeelden van het eigen bewustzijn (de ik-roman, de bewustzijnsroman, de bekentenisroman), lag namelijk aan de basis van de oprichting van het tijdschrift Diagram voor progressieve literatuur in 1963 door De Wispelaere. Sterk onder invloed van iemand als Karlheinz Deschner (Die Nacht steht um mein Haus) gaf dit eigen tijdschrift hem de kans zich bezig te houden met zijn eigen problematiek en niet gebonden te zijn aan de richtlijnen van een ander blad. Tekenend voor de verhouding met De Vree is wel dat hij al in het tweede nummer een essay van deze inspirator opneemt over… de geschiedenis van Golfslag.

Achtergrond van Diagram was de overtuiging dat literaire kritiek zich moest richten op de structurele, formele aspecten van literatuur. Die houding bezorgde hem in Nederland – niet helemaal terecht – de naam ‘merlinist’. In een gesprek bij zijn afscheid als hoogleraar in 1992 lichtte De Wispelaere de werkwijze toe die hem destijds voor ogen stond: ‘In Diagram bepleitte ik een romankritiek die ik in de eerste plaats opvatte als “kunstkritiek”, die zich op de tekst zou richten en in deze zin objectief zou zijn, die daarbij primair het criterium van de vorm- en taalkracht zou hanteren, en slechts in de tweede plaats aandacht zou besteden aan buiten-esthetische waarden als psychologie, moraal of wereldbeschouwing’.[xxvi]

Omstreeks dezelfde tijd werd in Nederland het invloedrijke tijdschrift Merlyn (1962-1966) opgericht door onder meer Kees Fens, die daarmee dus ook vrij radicaal brak met zijn sterk op de (katholieke) levensbeschouwing gerichte kritische arbeid voor het katholieke blad De Linie, waarvoor hij sedert 1955 recensies had verzorgd. Andere oprichters waren H.U. Jessurun d’Oliveira en Jaap Oversteegen. In hun ‘Ter inleiding’ lichtten zij hun werkimmanente aanpak als volgt toe: ‘De meest verfoeilijke eigenschap van de doorsnee essayist in ons land is zijn neiging nu eens filosoof te spelen, dan weer psycholoog, op de ene bladzijde als historicus te paraderen en als politicus op de volgende, en vooral één ding tot iedere prijs te vermijden: de behandeling van de tekst die hij voor zijn neus heeft.[…] De redactie van Merlyn zal uitgaan van het principe dat het behandelde object het einddoel dient te zijn voor de beschouwer, niet het startpunt van weinig te zake doende betogen’.

Het verschil tussen De Wispelaere en Merlyn was dat voor de laatste de ‘controleerbaarheid der uitspraken’ een absolute voorwaarde was, oftewel de objectiviteit stond bij Merlyn voorop (het blijft natuurlijk de vraag in hoeverre het blad daarin geslaagd is). Paul de Wispelaere daarentegen heeft altijd gepleit voor een persoonlijke betrokkenheid van de essayist bij zijn onderwerp. In het essay ‘Kees Fens als criticus’ uit 1964 staat het zo: ‘Lezen is vooreerst in de “leessituatie” geraken (wat niet tegenover ieder boek even goed lukt) en in die situatie reageren met een ondeelbare eenheid van borend verstand en bloed, van intelligentie, intuïtie, gevoel en zenuwen, met gehele bio-psychische constellatie, waardoor mijn persoonlijkheid zich onderscheidt van alle andere en alle andere zich onderscheiden van de mijne’.[xxvii] In bovengenoemd gesprek uit 1992 denkt hij er nog steeds zo over: ‘In mijn ogen was de criticus tevens een schrijver, die geen vrijblijvend of louter objectief leesverslag produceert, maar die zich met zijn hele persoonlijkheid engageert in een kritisch essay’. De criticus is dan ook in de allereerste plaats een schrijver want een goede kritiek stelt net zo goed eisen aan de vorm.

 

Het essay over Fens, samen met het programmatische stuk ‘Bakkeleien over literaire kritiek’ uit het eerste nummer van Diagram en het titelessay uit de bundel Het Perzische tapijt (1966) waarin ook de eerstgenoemde bijdragen zouden worden herdrukt, vormen de kern van De Wispelaere’s voorlopige bekering tot een zekere vorm van formalisme. Die ontwikkeling was voor een belangrijk deel uiteraard te danken aan Ivo Michiels, maar naast Nijhoff mag het effect van Van Ostaijen ook niet uitgevlakt worden. De invloed van diens werk nam juist in de tweede helft van de jaren vijftig een enorme vlucht dankzij de uitgave van zijn Verzameld Werk en dankzij een daarmee samenhangende, al maar toenemende vloed van studies.[xxviii] In 1956 kocht ook De Wispelaere, tot dan toe nagenoeg onbekend met het werk, de eerste uitgave van het door Gerrit Borgers bezorgde Verzameld Werk. De zorgvuldig bijeen gespaarde centen bleken goed besteed want weldra raakte hij uitermate geboeid door de poëtica van Van Ostaijen: hij meende dat wat Van Ostaijen (en in zijn voetspoor ook Nijhoff) opmerkte over de poëzie, eveneens toegepast zou kunnen worden op het (kritisch) proza. Voor Van Ostaijen bestonden vorm en inhoud uit een ondeelbare eenheid, maar bij de literaire kritiek in Vlaanderen had de idee dat de vorm niet minder de inhoud bepaalt dan omgekeerd, nog in onvoldoende mate postgevat. De Wispelaere nam zelfbewust stelling tegen die traditionele kritiek waarin vooralsnog figuren als Albert Westerlinck bleven persisteren: ‘De inhoud is slechts via de vorm te kennen, en het is daarom nooit de inhoud, in de betekenis van “boodschap” of “onderwerp” waar het in de literatuur om gaat. De vorm is de expressie van “het ethos” van de kunstenaar’.[xxix] De kritiek moest zich dientengevolge richten op de eigenschappen van een kunstwerk als esthetisch object. De Wispelaere signaleert hier ook het verband met Van Ostaijens theorie over de autonomie van de dichtkunst: ‘waarmee hij niet bedoelde dat de persoonlijkheid van de dichter niet in het werk terug te vinden is (de persona poëtica) maar dat het werk los van de maker volledig functioneert, en dat er bijgevolg tussen de mens en het kunstwerk geen rechtstreeks maar slechts een getransformeerd verband te leggen is’.[xxx]

 

Epiloog

Diagram was grotendeels een soort eenmansbedrijfje geweest en toen zich na verloop van tijd de mogelijkheid voor deed om met geestverwanten een nieuw tijdschrift te beginnen, heeft De Wispelaere die kans vrijwel meteen gegrepen. De Wispelaere’s ontwikkeling die tot dan in toenemende mate naar een zekere autonomisering van zijn werk had gezocht, probeert vanaf dan zijn visie op literatuur als een autonoom esthetisch object ook in toenemende mate te verzoenen met een meer contextuele benadering.

Als er ooit sprake geweest kan zijn van een wij-jongeren-gevoel bij De Wispelaere, met zijn bijzondere, hoogst autobiografische preoccupaties, dan is dat vermoedelijk Komma (1965-1969) geweest waarin met name Willy Roggeman en René Gysen belangrijk waren. Samen staan zij vanaf begin jaren zestig model voor een nieuw soort schrijverschap: academisch geschoold, intellectualistisch, geboeid door de problematiek van autobiografisch schrijven en met een sterk internationaal gerichte oriëntatie op de moderne literatuur.

De Wispelaere werd bij Roggeman vooral getroffen door de ook door hemzelf gekoesterde aandacht voor literatuur als zelfexpressie met daaraan verbonden de ontkenning van de traditionele verhaalvormen. Hij leerde het werk van de formalistische modernist Roggeman in 1964 kennen bij verschijnen van Yin/Yang. Dat boek, op een hele onrechtstreekse manier volledig autobiografisch, valt op door de extreme fragmentatie van de tekst (variërend van enkele regels tot enkele bladzijden) en door een hoge mate van genrevermenging. Kenmerkend voor het werk van Roggeman is diens uitspraak: ‘kunst is het bevechten van de nihilistische drek van het bestaan in een moment van vormtranscendentie’.[xxxi] De vorm van autobiografisch schrijven die vanuit deze gedachte ontstaat is therapeutisch: ‘in het a-causale, a-historische, antipsychologische, autonome kunstding overstijgt de kunstenaar alle belemmeringen en afhankelijkheden van zijn bestaan: hij schept zichzelf’.[xxxii]

In september 1964 leerde hij – op aanraden van zijn vriend René Gysen – de Franse schrijver Michel Leiris kennen, in het bijzonder de autobiografische werken L’âge d’homme (1939), Biffures (1948) en Fourbis (1955). Voor De Wispelaere was na de kennismaking met Willy Roggeman deze lectuur van doorslaggevende betekenis voor het (her)vinden van authenticiteit op papier. Het etiket ‘autobiografisch’ is overigens wat ongelukkig gekozen omdat er volgens De Wispelaere veeleer sprake is van een soort ‘dialectische autobiografie’ waarin de schrijver zich ‘al schrijvende’ met zichzelf confronteert. Met dit werk plaatste Leiris zich kortom, precies zoals De Wispelaere zich dat altijd had gewenst, midden in de discussie over de tegenstelling tussen literatuur als zelfexpressie of als (autonome) creatie:

 

Zijn werk onderscheidt zich al van de gewone belijdenisliteratuur doordat het de belijdenis opvat als een recherche, niet alleen als een eindterm (catharsis en genezing) maar ook als een begin, niet alleen als afgesloten verleden maar ook als open toekomst, niet alleen als expressie van het ik maar ook als creatie van het ik. De eerste pen op het eerste papier put niet uit een volheid, maar is in het ledige gedoopt. De volheid ontstaat maar op het eind van het boek, in en door dat boek.[xxxiii]

 

De verwijzing naar het poëticale verhaal ‘De pen op papier’ (1926) van Nijhoff is natuurlijk evident. In het voornemen als schrijver de wereld te benaderen en de literatuur boven het leven plaatsen, klinkt immers iets door van een verlangen naar het soort taalavontuur zoals dat bij voorbeeld door de criticus Martinus Nijhoff (1894-1953) in zijn ‘Woord vooraf’ bij Gedachten op dinsdag (1931) werd geformuleerd: ‘Schrijvend begint men te schrijven. Een gedachte wordt woord, het woord vervolgt de gedachte. Reeds weinig schrijven brengt meer ingeving dan veel denken. De zaak is, een zin zichzelf te laten voltooien, vertrouwende dat de taal, ons overgeleverd door gans een volk, gaat vibreren als een natuur binnen onze gevoeligheid en dieper dingen loswerkt dan ons verstand ooit kan opbrengen’.[xxxiv] (Nijhoff 1994:238)[1]

[1]

[i] Zie bij voorbeeld Paul-tegenpaul, p. 155-156): ‘[…] en ondertussen had ik nog veel omwegen bewandeld en veel tijdverlies geleden, onder meer aan de universiteit met praatvaars van professoren als Baur en De Backer, wetenschappelijk en literair pittoreske anachronismen, en met als haast mirakuleuze uitzondering Herman Uyttersprot die mij voor ‘t eerst met moderne methodes van tekstexegese en met Kafka in aanraking bracht.’

[ii] Zelf rekent de schrijver zijn werk voor Het Westen niet tot zijn literaire oeuvre.

[iii] Paul de Wispelaere, ‘Vraag en antwoord’. (J. Weverbergh, int.) In: Yang, 13 (1977), 76-77 (oktober), p.29-42.

[iv] Interview Paul de Wispelaere door Ernst Bruinsma, d.d. 27 maart 1998.

[v] De Wispelaere zou vele malen over dit onderwerp publiceren, zie voor een overzicht de bibliografie in de bundel Tekst en context. Zijn proefschrift, getiteld Van Stem tot Anti-Stem. Een historisch beeld van het tijdschrift ‘De Stem’ als brandpunt van humanistische en vitalistische stromingen in de Nederlandse literatuur tussen de twee wereldoorlogen, verscheen pas in 1974. In 1957 werd wel het onuitgegeven essay ‘Aspekten van Dirk Coster’ bekroond voor een prijsvraag van de Provincie West-Vlaanderen.

[vi] Albert Westerlinck, De psychologische figuur van Karel van de Woestijne als dichter. Een literair-psychologische studie, Uitgeversmij. N.V. De Standaard-boekhandel, Antwerpen-Amsterdam, 1952.

[vii] Frank Joostens, Grensgang om het schuilwoord. Bijdrage tot een legitimatiekritiek van de autobiografische ruimte, met analyses van Nederlandstalig proza rond 1980. Antwerpen, 1987, p.237. [dissertatie]

[viii] De Wispelaere kende het werk van Moens vermoedelijk vrij goed, want in het verhaal ‘Fantasia’ (1954) wordt zijn naam ook vermeld.

[ix] Paul de Wispelaere, ‘Tijd en Mens 17. Bedenkingen bij het lezen ervan’. In: Dietsche Warande & Belfort, 14 (1954), 3 (maart), p.184.

[x] De Wispelaere, ‘Tijd en Mens 17’, p.185. Het is overigens opvallend dat De Wispelaere zelden over Van Ostaijen heeft geschreven. Zijn bibliografie vermeldt zes keer de naam van Van Ostaijen. Daartussen zitten vijf besprekingen van essays in boekvorm over Van Ostaijen (Hadermann, De Vree & Jespers en Borgers). Het zesde artikel gaat over de persoonlijke betekenis van Van Ostaijen op zijn eigen (kritische) arbeid. Al in het titelessay van de bundel Het Perzische tapijt was De Wispelaere ingegaan op de grondbeginselen van zijn essayistische werk, alleen werd in dit stuk Martinus Nijhoff aangehaald als lichtend voorbeeld. In 1996 komt De Wispelaere komt de auteur terug op deze beslissende periode van zijn schrijversloopbaan, maar hij stelt de rol van Van Ostaijen in deze bijdrage wel wat belangrijker voor dan destijds. Zie: ‘Paul van Ostaijen als wegbereider’. In: Geert Buelens & Erik Spinoy (eds.), De stem der Loreley. Over Paul van Ostaijen. Bert Bakker, Amsterdam, 1996, p.270-275.

[xi] Zie voor De Wispelaere’s receptie van Boon: Ernst Bruinsma, ‘Paul tegen Louis Paul’. In: Erik Spinoy (ed.), Mythe en geschiedenis. De wereld van Paul de Wispelaere. VUBPress, Brussel, 2003, p.109-121. Dit is de eerste keer dat de naam van Boon in een artikel van De Wispelaere valt. Die had toen overigens nog geen romans van Boon gelezen, de boeken over de Kapellekensbaan las hij enkele jaren later wel, en hij zal Boon dus uitsluitend gekend hebben van zijn bijdragen in De Vlaamse Gids. Het NVT las De Wispelaere toen nog niet, evenmin als de jongerentijdschriften.

[xii] De Wispelaere, ‘Tijd en Mens 17’, p.186. Ook over Claus heeft De Wispelaere, behoudens een bespreking over De verwondering in 1962, niet meer geschreven. Tekenend voor de latere De Wispelaere is wel dat hij in 1965 de titel van zijn tweede roman (Mijn levende schaduw) ontleent aan een gedicht van die zelfde (vroege) Claus: ‘Nooit zal ik u vergeven’ zegt mijn levende schaduw’, uit de bundel tancredo infrasonic (1952).

[xiii] De vrijzinnig socialistische intellectueel Michel Oukhow (1926-1997) publiceerde in 1947 enkele gedichten in Golfslag onder het pseudoniem J.C. Veerman.

[xiv] Interview met Paul de Wispelaere door Ernst Bruinsma, d.d. 27 maart 1998.

[xv] Zie voor een uitvoerige interpretatie van het vroegste werk van De Wispelaere de studie van Paul van Aken: Paul de Wispelaere. Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 1987, p.9-34. [Grote Ontmoetingen]

[xvi] H. Brems & D. de Geest, ‘Ontstaan en profilering van de experimentele poëzie in Vlaanderen.’ In: F. Joostens (ed.), Het Esthetisch Belang. Nieuwe ontwikkelingen in de literatuursociologie, Tilburg University Press, Tilburg, 1990, p.107.

[xvii] Behalve over Boon, zou De Wispelaere over geen enkele auteur zo vaak schrijven als over Ivo Michiels.

[xviii] P. de Wispelaere, ‘Toespraak.’ In: Antwerpen, Tijdschrift der Stad Antwerpen, XVIII (1972), 4 (december), p.175.

[xix] Vergelijk ook de term ‘ander proza’ die Sybren Polet in 1978 bedacht voor experimenteel proza.

[xx] Interview met Paul de Wispelaere door Ernst Bruinsma, d.d. 27 maart 1998.

[xxi] P. de Wispelaere, ‘Scherzando ma non troppo.’ In: Nieuw Vlaams Tijdschrift, XII (1959), p. 130.

[xxii] P. de Wispelaere, Een eiland worden, De Bezige Bij/Ontwikkeling, Amsterdam/Antwerpen, 1963, p.93.

[xxiii] Een eiland worden, p.74

[xxiv] P. de Wispelaere, ‘Het boek Alfa: nieuwe romanvorm in Vlaanderen.’ In: Kunst van nu, I (1963), 1 (november), p.10.

[xxv] Diagram (januari 1963-december 1964), opgericht door Paul de Wispelaere, Korban (=Hendrik Manhaeve), Hedwig Speliers & Jan van der Hoeven. Speliers verdwijnt in de tweede jaargang en wordt vervangen door Marc Andries en Willem M. Roggeman.

[xxvi] P. de Wispelaere, ‘Paul de Wispelaere als criticus en hoogleraar. Een gesprek.’ (K. Humbeeck & G. Wildemeersch, int.) In: Tekst en context, Departement Germaanse Filologie van de Universitaire Instelling Antwerpen, 1992.

[xxvii] P. de Wispelaere, ‘Kees Fens als criticus.’ In: Diagram, II (1964), 2-3 (september), p.157.

[xxviii] Zie over de opkomst van Van Ostaijen in deze periode: Erik Spinoy, ‘Paul van Ostaijen. De derde reus’. In: D. de Geest & M. van Vaeck (eds.), Brekende spiegels. Beeldveranderingen in de Nederlandse literatuur. Uitgeverij Peeters, Leuven, 1992, p.143-159.

[xxix] ‘Paul van Ostaijen als wegbereider’, p.272.

[xxx] ‘Paul van Ostaijen als wegbereider’, p.273.

[xxxi] Geciteerd in: G. Wildemeersch, ‘Willy Roggeman.’ In: Kritisch literatuur lexicon, 1983, p.3.

[xxxii] ‘Willy Roggeman’, p.5.

[xxxiii] P. de Wispelaere, ‘Literatuur als therapie en mythe: Michel Leiris.’ In: De Vlaamse Gids, XLIX (1965), 9, p.555.

[xxxiv] Martinus Nijhoff, De pen op papier. Verhalend en beschouwend proza, dramatische poëzie. (Wiljan van den Akker & Gillis Dorleijn, eds.), Prometheus/Bert Bakker, Amsterdam, 1994, p.238.